Ontbinding Arbeidsovereenkomst Piloten Ryanair: Hoge (Ontslag)Vergoedingen Toegekend

De verplichting van het goed werkgeverschap 

In Nederland zijn werkgevers verplicht zich te gedragen als ‘goed werkgever’. Deze werkgeversverplichting is gecodificeerd in artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (hierna ‘BW’) en is in feite een verwoording van artikel 6:2 en 6:248 BW, die zien op het algemene contractenrecht in Nederland, waarin is bepaald dat bijna alle contracten in Nederland ook worden beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Zo ook de arbeidsovereenkomst. 

Verplichtingen die uit het goed werkgeverschap voortvloeien zijn bijvoorbeeld: de werkgever moet zorgvuldig zijn ten opzichte van haar werknemers, de werkgever mag geen misbruik maken van haar positie, de werkgever moet ingrijpende besluiten onderbouwen, zij moet verwachtingen waarmaken en zij mag niet discrimineren.  

Sinds 2015 heeft de wetgever deze eis van goed werkgeverschap ook vertaald in de wetgeving die ziet op het ontslag van de werknemer. Kort gezegd, kan de rechter bepalen om aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen als de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het dient in deze gevallen wel te gaan om onrechtmatige gedragingen van de werkgever die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met het goed werkgeverschap. Dit is zware toets en de wetgever heeft bij de totstandkoming van deze wet aangegeven, dat hiervan alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is. 

De gedragingen van Ryanair 

Toen de vakbond van de piloten van Ryanair – met hun basis in Eindhoven – in september 2018 stakingen aankondigde omdat de CAO onderhandelingen waren vastgelopen, dreigde Ryanair direct met het sluiten van deze basis. Zij voerde als reden aan dat sprake was van bedrijfseconomische omstandigheden. Ryanair vroeg tevens in augustus in kort geding tot het opleggen van een verbod om te staken. De vordering van Ryanair werd door de rechter bij vonnis van 9 augustus 2018 afgewezen. 

Op 1 oktober 2018 kondigde Ryanair aan de piloten aan dat de basis in Eindhoven per 5 november 2018 gesloten zal worden. De bedrijfseconomische redenen zouden onder andere zijn ontstaan door hogere brandstofprijzen en een lager klantvertrouwen als gevolg van de stakingen van het personeel van Ryanair. 

De piloten werd medegedeeld dat zij akkoord konden gaan met een vrijwillige overplaatsing naar Lamezia (Zuid-Italië), Ponta Delgada (Azoren), Marrakech (Marokko), Fez (Marokko), Otopeni (Boekarest) of Sofia (Bulgarije). Indien geen keuze werd gemaakt, volgde een gedwongen overplaatsing.  

De piloten waren het hier niet mee eens en startte een kort geding om tegen de gang van zaken te protesteren en om een verbod op eenzijdige overplaatsing naar een andere basis te vorderen. De piloten werden in gelijk gesteld, omdat de kort geding rechter aannam dat de sluiting van de basis uitsluitend het gevolg was van de stakingen en niet het gevolg was van bedrijfseconomische redenen. Ryanair dient – aldus de kort geding rechter – een bodemprocedure te starten, teneinde aan te tonen dat de overplaatsing gerechtvaardigd is in verband met bedrijfseconomische redenen. 

Na ontvangst van het vonnis schreef Ryanair op diezelfde dag aan haar piloten, dat de basis desalniettemin gesloten zal worden en dat zij alsnog kunnen kiezen voor een vrijwillige overplaatsing. Indien hiermee niet zou worden ingestemd, volgende ontslag wegens bedrijfseconomische redenen. 

De piloten accepteerden dit niet en Ryanair diende een ontslagaanvraag in bij het UWV. Het UWV constateerde dat er een verplichting voor Ryanair bestond om eerst de vakbonden te raadplegen, alvorens de ontslagaanvraag in behandeling te kunnen nemen. op 22 januari 2019 vond dit overleg met de vakbond alsnog plaats, waarin Ryanair bij haar besluit tot sluiting van de basis in Eindhoven bleef. Het UWV wees in maart de aanvraag van Ryanair af. 

Ontbinding verzocht door de werknemers 

De piloten waren derhalve nog steeds in dienst. In april 2019 verzochten acht piloten zelf ontbinding van hun arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW. De grondslag van hun verzoek was dat als gevolg van het handelen van Ryanair van hen in redelijkheid niet meer verlangd kon worden om nog bij Ryanair in dienst te blijven.  

Zij verzochten tot het toekennen van de transitievergoeding en de billijke vergoeding. In eerste aanleg wees de kantonrechter de verzoeken van de piloten toe en kenden aan de piloten afzonderlijk vergoedingen toe van tussen de € 30.000,- en de € 90.000,- als transitievergoeding en tussen de € 350.000,- en € 425.000,- als billijke vergoeding, omdat Ryanair naar het oordeel van de kantonrechter ernstig verwijtbaar had gehandeld. Het gerechtshof was het met de kantonrechter eens, hetgeen zij bevestigde in haar uitspraak van 6 februari 2020. Samengevat verwijt het gerechtshof Ryanair het volgende: 

  • Ryanair heeft getracht een voorgenomen staking van haar werknemers te voorkomen, door te dreigen met het sluiten van de basis in Eindhoven. Het stakingsrecht is een fundamenteel sociaal grondrecht. Door op onoprechte wijze te trachten om de staking te voorkomen, heeft zij in strijd met goed werkgeverschap gehandeld; 
  • Ryanair heeft – zonder bedrijfseconomische redenen aannemelijk te maken – haar piloten ertoe geprobeerd te dwingen om akkoord te gaan met een overplaatsing. Ondanks dat de rechter een overplaatsing verbood en oordeelde dat Ryanair de bedrijfseconomische redenen in een bodemprocedure aannemelijk diende te maken, zette Ryanair haar piloten na het vonnis direct alsnog onder druk om akkoord te gaan met een overplaatsing. De keuze was: overplaatsing of ontslag. Hiermee heeft Ryanair de ordemaatregel van het vonnis van 1 november 2019 naast zich neergelegd, hetgeen als ernstig verwijtbaar handelen moet worden aangemerkt.

Het gerechtshof concludeert dat als gevolg van laakbaar gedrag van Ryanair, de verhoudingen tussen partijen zijn verstoord. Ryanair heeft ook geen enkele inspanning geleverd om de verhoudingen te normaliseren. Integendeel, zij heeft het conflict laten escaleren. De onwerkbare situatie die is ontstaan is aan Ryanair toe te rekenen. 

Conclusie

Onzorgvuldig handelen door de werkgever, kan haar duur komen te staan. Zelfs als de werkgever zelf géén ontbinding vraagt van de arbeidsovereenkomst, loopt zij alsnog het risico dat zij een hoge vergoeding moet betalen aan haar werknemer. Immers kan de werknemer de rechter zelf verzoeken om zijn arbeidsovereenkomst te ontbinden, met toekenning van de transitie- en billijke vergoeding.  

Deze uitspraak bevestigt dat werkgevers in Nederland niet lichtzinnig dienen om te gaan met de verplichtingen van het goed werkgeverschap. Het forceren van een overplaatsing of ontslag, heeft al vaker geleid tot de toekenning van hoge billijke vergoedingen. Hoewel de lat om te komen tot ernstige verwijtbaarheid hoog ligt, kunnen vergoedingen in de tonnen lopen, als die drempel eenmaal is genomen. Zoals op 24 april 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:3077), toen de rechter oordeelde dat de verstoring van de arbeidsverhouding aan werkgever is te wijten: € 628.000,-. Maar ook op 16 januari 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:310), toen de rechter oordeelde dat de werkgever haar herplaatsingsverplichting had geschonden: € 530.000,-. En wat te denken van de uitspraak van 14 maart 2019, waarin de rechter oordeelde dat de werkgever haar werknemer geen kans gaf om zijn functioneren te verbeteren: € 1.026.449,08!